Heb je vijanden lief
‘Heb je vijanden lief.’
Zusters en broeders,
Er is steeds meer om lief te hebben, zou je met het nodige cynisme kunnen zeggen; aan vijandschap steeds minder gebrek. Mannen met grote monden, wilde plannen, en géén fatsoen komen overal op de wereld aan de macht en jagen zonder omwegen hun eigen belangen na. Machtspolitiek en leugentaal wordt niet geschuwd, aan beleefdheid of gevoeligheden is geen boodschap; aan barmhartigheid nog minder. Want in de ideologie van het eigen belang, moet iederéén voor zichzelf zorgen. En wie dat niet kan, had het maar beter moeten doen. Het kleine en weerloze wordt op deze manier niet alleen vermalen en vermorzeld, maar krijgt ook nog eens de schuld dat het geen betere deal heeft gesloten. Als dat de manier van denken wordt, dan staat ons nog heel wat te wachten. Als de slachtoffers immers de schuld krijgen van hun eigen ellende, dan verdient de agressor een bonus. Want die zorgt dan eindelijk voor rust en vrede, en bewijst de wereldgeschiedenis een dienst.
Het is niet altijd gemakkelijk om de soepelheid van taal in deze manier van denken na te volgen. Woorden lijken soms totaal andere betekenissen te kunnen krijgen. De grootste leugenaar beticht zijn tegenstanders van censuur. Een aanvalsoorlog wordt als daad van vredestichten verpakt. Iemand die banen zou creëren zet honderdduizenden mensen op straat. En geharnaste haviken, die om stoere taal nooit verlegen zitten, bepleiten ineens ‘vrede’ in een oorlog die al ‘veel te veel slachtoffers’ heeft gevergd. Vast is dat laatste waar, en vast is vrede altijd te verkiezen boven oorlog. Maar: altijd? En onder alle voorwaarden? Wordt het dan duurzame vrede, of betekent dat een uitnodiging tot een volgend gewapend avontuur? Want onderling schuiven de mannen met grote monden elkaar makkelijk bonussen toe. ‘Als jij nou dit, dan ik dat…’
En wij lezen: heb je vijanden lief.
Vandaag preken we volgens rooster; ik weet niet of ik in de huidige situatie deze tekst zomaar zelf gekozen zou hebben. Want, wat moeten we in deze situatie van grote dreiging met alles aan? Moeten we er wel wat mee aan? Is het niet sowieso té ver van ons bed? Zouden de mannen met de grote monden zich iets aantrekken van wat wíj er van vinden? Als hele landen, hele bondgenootschappen, of grote internationale organisaties op een achternamiddag politiek irrelevant blijken, hoeven wij niet te denken dat we hier in Nijmegen ook maar een béétje invloed zouden hebben!
Maar ook dan moeten we onze positie bepalen. En ook dan is het de vraag hoe we als gelovigen en als kerk moeten, of zelfs maar kunnen, denken. Is het vraag of en hoe we moeten, of zelfs maar kunnen, bidden. Is het de vraag wat en waar we iets moeten, of zelfs maar kunnen, betekenen. Waar velen in Duitsland ooit het beleid van eigen belang enthousiast toejuichten, durfde slechts een enkeling als Dietrich Bonhoeffer de boosaardige dreiging van het opkomend kwaad te zien. Had híj dan zoveel recht van spreken, zou hij dan ook maar enige invloed hebben gehad? De machtspolitiek van zijn dagen had óók lak aan de internationale rechtsorde, en leefde van dreiging en terreur. ‘Heb uw vijanden lief,’ lazen mensen ook toen, in de Bijbel (of misschien in de sterren). En sommigen dachten dat je agressor in toom kon houden door hem misschien een bonus te gunnen. Maar het bezetten van flinke stukken van buurlanden bleek slechts de opmaat van een nieuwe wereldoorlog. Als een agressor een bonus krijgt, zou hij dan niet voor méér winst gaan? Of zou zelfs dat moeten worden toegestaan, want als iemand een bovenkleed neemt, moet je hem ook je onderkleed nog geven (!). ‘Gééf en eis niet terug’; wat staat ons allemaal nog te wachten? Uiteindelijk opnieuw bombardementen op onze stad, zoals in 1944, wat een gat in de ziel van de stad heeft geslagen.
‘Heb je vijanden lief.’?
Wat moeten we met deze tekst aan? Hoe laten we ons door deze tekst gezeggen? Zonder twijfel herkennen we het als centrale gedachte in de boodschap van Jezus. Maar hoe geven we er in een situatie als de onze dan handen en voeten aan? Door méé te buigen met de mooie woorden die grootste leugenaars weten te flemen? Door agressie met bonussen te belonen? Vast zijn er mensen die met een beroep op deze teksten die kant op zouden willen denken, maar lever je de wereld dan niet uit aan de grote monden, met hun wilde plannen, zonder fatsoen, noch spóór van barmhartigheid? Zijn we niet óók geroepen om het kwetsbare te beschermen? Dat hebben we kort geleden, liturgisch, nog met het pasgeboren kind van kerst gedaan. Het kind, dat niet is overgegeven aan het zwaard van Herodes, maar dat behoed en beschermd is, voor de slachtpartij in Bethlehem?
Als de Bijbel een mooi boek over vroeger was, dan zouden we de verhalen bij een knappend haardvuur tot ons kunnen nemen, en zouden we nog een bekertje chocomel drinken. Maar de Bijbel spreekt ons aan in onze tijd en wil ook in onze context relevant zijn. En dan is het de vraag hoe we vanuit geloof over concrete gebeurtenissen in de wereld moet denken. Want we maken deel uit van die wereld, en zou het geloof dan niet ook concreet verschil maken? Al was het maar om na te denken hoe we over dingen moeten, of zelfs maar kunnen, denken.
‘Heb je vijanden lief’.
In ieder geval betekent het dat je je niet door haat of wrok moet laten leiden. Juist dat is de manier van denken van de mannen met grote monden. Wie in termen van deals denkt, zal altijd wat terug willen krijgen voor zijn gunsten, en waar dat uitblijft is een gevoelige tik, of een dreunende mep het ‘logisch’ gevolg. Een natuurlijke impuls toch ook? Om terug te willen slaan, als je tegenstand hebt ervaren? Maar kan het dan niet alléén maar van kwaad tot erger gaan?
Ook het verhaal van Jozef staat op het rooster. Als slaaf verkocht door zijn broers, had Jozef alle reden om wraak te nemen toen de gelegenheid zich voordeed. Wonderbaarlijk tot onderkoning opgeklommen, komen de broers door honger gedreven uitgerekend bij hem om genade smeken. Jozef kon zijn boosheid laten varen, durfde tot vergeving te komen, en kon op die manier weer ‘thuis,’ in zijn eigen familie komen. ‘Heb je vijanden lief,’ gaat er in ieder geval om dat je je niet door boosheid moet laten leiden. Wrok is een slechts raadgever.
Maar dan, moeten we iedere agressor, inderdáád, niet alleen het al gestolen boven-, maar óók nog het resterende onder-kleed geven? Niet alléén Oekraïne, maar Finland en de Baltische staten ook maar meteen? En naast Groenland, heel Scandinavië, wellicht? Of zwichten we dan voor dreiging en terreur? Wrok is een slechte raadgeven, maar angst is dat ook. En wordt dat van ons gevraagd als we onze vijanden lief moeten hebben?
Als de Bijbel ons in onze tijd aanspreekt, dan is het de vraag wat het ons te zeggen heeft. En zo ééntweedrie een makkelijke oplossing in concrete en urgente kwesties is er vast niet. Hoe we erover moeten, of zelfs maar kunnen, denken is zaak van ons geloofsgesprek. Maar daarbij mogen we ons oor te luisteren leggen bij de Schrift. Heb uw vijanden lief betekent zeker dat je je niet door woede of wrok moet laten drijven. Maar betekent óók niet dat je iedere agressor vrij spel moet geven. ‘Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen,’ zegt Jezus als Hij dit gebod uitlegt. Dàt is in ieder geval wat het liefdesgebod inhoudt; dat je niet alleen je eigen belang, maar juist dat van anderen in het oog houdt en liefst dient. Maar dan moet het de vraag zijn of we grote monden een dienst bewijzen door hen naar de mond te praten, of door grenzen te stellen. In de huidige situatie is het wel degelijk de vraag of de wereld altijd voldoende de belangen en de angsten en zorgen van andere partijen voldoende in het oog heeft gehouden. Maar zou je om die reden juist extra alléén voor het Eigen belang moeten gaan? En zouden we geroepen zijn om dàt te bonussen? Of zouden we daar juist tegen moeten waarschuwen, en ons te weer stellen? Dreiging en terreur zíjn uiteindelijk ook niet in het belang van de agressor, want kan alleen van kwaad tot erger leiden.
Amen
Deel deze preek
Genesis 45: 3-11
Hij zei tegen zijn broers: ‘Ik ben het, Jozef! Leeft mijn vader nog?’ Zijn broers waren niet in staat antwoord te geven, ze waren verlamd van schrik. ‘Kom toch dichterbij,’ zei Jozef tegen hen, en daarop gingen ze dichter naar hem toe. ‘Ik ben Jozef,’ zei hij, ‘jullie broer, die jullie verkocht hebben en die naar Egypte is meegevoerd. Maar blijf kalm en maak jezelf geen verwijten dat jullie mij verkocht hebben en dat ik hier ben terechtgekomen, want God heeft mij voor jullie uit gestuurd om jullie leven te redden. Er heerst nu al twee jaar hongersnood in het land, en ook de komende vijf jaar zal er niet geploegd of geoogst worden. God heeft mij voor jullie uit gestuurd om jullie voortbestaan op aarde veilig te stellen; zo wilde Hij veel levens redden. Niet jullie hebben mij dus hierheen gestuurd, maar God; door Hem ben ik de belangrijkste raadsman van de farao geworden, de bestuurder van zijn hele hof en heerser over heel Egypte. Ga onmiddellijk terug naar mijn vader en zeg tegen hem dat zijn zoon Jozef hem het volgende laat weten: “God heeft mij heer over heel Egypte gemaakt. Kom zo snel mogelijk naar mij toe. U kunt in Gosen wonen, dicht bij mij, met uw kinderen, uw kleinkinderen, uw schapen en geiten en uw runderen en wat u verder maar bezit. Ik zal daar in uw onderhoud voorzien, want de hongersnood zal nog vijf jaar duren. Dan hoeft u geen gebrek te lijden, u niet en ook uw familieleden en uw dieren niet.”’