Ubi amor, Deo ibi
Latijn en liefde.
Zondag Reminiscere
Zusters en broeders,
De dirigent Stan Hollaardt stond aan de bakermat van het Gregoriaans koor; 1968, zo’n 57 jaar geleden. Het is vandaag de eerste keer dat ze te gast zijn in onze protestantse dienst; dat heeft dan wel even geduurd! Daar zal reden voor zijn geweest; expliciet of niet. Misschien kwam het wel gewoon niet op; want Latijn, dat is toch Rooms, en daar zijn protestanten dus niet van? Of ook andersom: wat zou je in een dienst gaan zingen waarin sowieso geen fatsoenlijke eucharistie wordt gevierd!? Bij een club die zonder bisschop misschien maar nauwelijks kerk kan heten…
Misschien zoek ik hier een beetje spijkers op laag water, want ik weet eigenlijk niet precies hoe heet de soep hier en daar gegeten wordt. Maar wat ik wel weet is dat de grenzen van de kerken, die ooit dik en hoog waren, inmiddels veel doorkijkjes kent. Zeker zijn er nog altijd verschillen, maar zijn het verschillen die ons scheiden, of verschillen waarmee we elkaar juist wat te zeggen kunnen hebben? Moeten die verschillen worden weggepoetst, of juist gerespecteerd, misschien wel gekoesterd?
Dat is eeuwenlang eigenlijk niet veel gebeurd. Want we dachten allemaal zelf de waarheid in pacht te hebben. En andersdenkenden, andersdoenden, zaten dus fout. Maar deze manier van denken is echt voorbij. Het idee dat wij de waarheid in pacht kunnen hebben, is sterk op z’n retour. Sterker nog: het idee dat er zoiets als de waarheid bestaat ligt zwaar onder vuur. Zeker de waarheden van kerk en geloof, die sinds lang, ook al in 1968, aan kritiek onderhevig waren. Maar alle andere waarheden zijn inmiddels meegesleept. Alle vaste instituties kregen ermee te maken, gezin, politie en hulpdiensten, seksuele moraal, rechterlijke macht, onderwijs, politiek, journalistiek, zelfs wetenschap; alles kan worden betwijfeld en wordt betwijfeld. Want niemand laat zich toch meer iets gezeggen, en we denken allemaal ons eigen ding! Vrijheid!
Of hoogst zorgelijk. We kunnen iedere dag in de krant lezen (als we die nog lezen tenminste) wat er gebeurt als waarheid niet meer gerespecteerd wordt. De leugens zijn niet meer te fact-checken, nieuws wordt aan alle kanten gemanipuleerd, de betekenis van woorden wordt moedwillig kromgetrokken en blinde volgzaamheid heeft de plaats ingenomen van betrouwbaarheid. Vrijheid! Iedereen mag toch zijn eigen waarheid hebben, en niemand laat zich meer iets gezeggen? Geen wonder dat de discipline op scholen inmiddels ver te zoeken is, zoals we afgelopen week konden horen. Als niemand meer iets te zeggen mag hebben, waarom zouden kinderen dan luisteren?
Wij, hier in de kerk, willen daar nog misschien niet aan, koesteren nog onze tradities, en hinkelen achter de cultuur aan. Maar is de race onderhand niet gelopen, en de rol van de kerk uitgespeeld? Zo lijkt onze tijd geregeld te denken; maar er is alle reden om er anders over te denken. Sterker: er is alle reden om te denken dat juist, en vooral, de godsdienst, een weg kan wijzen uit het moeras van zelfzucht, opportunisme, en eigenwaan waar we in terecht zijn gekomen. Terwijl politiek, journalistiek en wetenschap naar adem liggen te happen nu ook hun waarheden onder vuur zijn komen te liggen, heeft de theologie al meer dan zestig jaar hierin een weg moeten vinden. En het bezoek van het Gregoriaans koor is daar een resultaat van.
Door schade en schande moesten wij misschien als eersten wennen aan het idee dat wij de waarheid niet zomaar meer in bezit hadden. Maar anders dan critici, anders dan de kerk zelf ook wel eens heeft gedacht, is dat zeker niet de doodsteek voor het geloof. Want de waarheid van het geloof was nooit ons bezit, want was altijd al van en bij God; -hoe we daar in het verleden misschien ook wel eens anders over hebben gedacht.
De waarheid van God is niet ons bezit, maar is een geschenk. We krijgen het. Mozes kreeg het op de berg. De wet van God is niet de willekeur van een potentaat, is ook niet de vrucht van een democratisch proces waar we mee in moeten stemmen. Maar is de uitnodiging van God om Zijn opdracht waar te maken: om gerechtigheid en naastenliefde te betrachten. Niet als moeilijke en onmogelijke opgaaf, maar omdat we daarin tot ons recht komen. Niet alleen de mensen aan wie het gebeurd, maar ook door wie het gebeurd. Niet alleen de zogenaamde zwakken profiteren; ook de zogenaamde sterken komen tot bestemming.
En essentieel daarbij is, dat we onszelf niet als almachtig middelpunt van het heelal naar voren schuiven. Maar dat ons realiseren anderen nodig te hebben. Dat we ons realiseren dat ook ons leven betekenis moet krijgen. Dat wij onszelf niet hebben gemaakt, maar ontvangen. Dát ten diepste is een religieuze manier van denken, en van leven. Want dat betekent het als we onszelf als schepsel van God beschouwen. Dat we leven uit dankbaarheid en dat we dat stem geven in termen van de traditie.
Zo kunnen we het verhaal van de zogeheten transfiguratie op de berg verstaan. Mozes en Elia verschijnen aan Christus om, kort door de bocht, de continuïteit van het Oude met het Nieuwe Testament uit te drukken. Christus komt in het vlees, maar niet uit de lucht vallen. Hij staat in de lijn (een bepaalde lijn) van het joodse denken. En die traditie gaat met hem mee: Mozes en Elia, wet en profeten.
Ook wij leven met de traditie, in de traditie. Met wat me mee hebben gekregen en hoe we het hebben geleerd. En dat is geen gesloten eenheid die we op elkaar moeten bevechten of tegen elkaar moeten beschermen; die mogen we elkaar aanbieden en uitleggen. Want misschien ontdekt de ander er iets van waarde in. Het gaat niet om het bevestigen van de eigen waarheden, maar om de waarheden die we in een ander kunnen ontdekken. En dat is een wezenlijk andere manier van denken en kijken.
Want daarin zijn de anderen en de andersdenkende niet de principiële tegenstanders waar we afstand tegen moeten houden, maar worden we gesprekspartners waarmee we samen optrekken. De verschillen zijn geen onoverkomelijke obstakels, maar bieden wellicht juist verrassende inzichten waar we verder mee komen. En die verschillen hoeven dan ook niet te worden uitgepoetst of weggewerkt, maar liever voorgedaan en uitgelegd.
In feite is het een uitwerking van de christelijke notie van naastenliefde. Die immers nooit om jezelf gaat, maar altijd op het belang van de ander is gericht. Die niet dwingt, maar dienen wil. Maar die ook niet zichzelf hoeft te verloochenen, want getuigen mag! Als waarheid geen bezit is maar een geschenk, dan mag je ontvangen maar moet er óók gegeven worden. Of de ander er iets mee kan, dat is aan hem of haar.
En dan kunnen sommige dingen wel, andere dingen misschien moeilijker worden begrepen of aanvaard. Ik zie protestanten niet zomaar snel de kerkelijke hiërarchie weer accepteren. De rijke katholieke liturgische vormen, wellicht eerder. De manier waarop in het Gregoriaans het Latijn klinkt is dan interessant. Met veel liefde en aandacht wordt het verzorgd, en nadrukkelijk is er aandacht voor de eenheid van intonatie en inhoud. En dat samenspel mag in de liturgie over je heen komen, om je op te nemen. Je mag, maar hoeft niet alles te snappen en te begrijpen; en lang niet iedereen zal het Latijn woordelijk kunnen volgen; of dat belangrijk vinden. Het mag, en tegenwoordig staan de vertalingen er ook vaak bij, maar het gaat er vooral om dat het groter is dan wijzelf en dat het tegen de waan van de dag in al eeuwenlang standhoudt. En ons zo omgeven mag.
Daar zou het protestantisme nog wel wat van kunnen leren. Want protestanten willen er altijd graag toch wat van vinden. En dan moet het begrijpelijk zijn en binnen bereik liggen. Dan is liturgische geheimtaal lastig, want snappen we dat wel precies? Maar daarmee maken we de eredienst in zekere zin ondergeschikt aan ons begrip; aan onze wensen misschien. En het is de vraag of we dan wel voldoende in de positie komen om verrast te worden met iets dat wij zelf niet zouden hebben bedacht. Zoals de boodschap dat God van ons houdt, niet alleen met onze verdienste, maar ook met alle duisternis. En dat is dan meer een protestantse insteek.
In feite gaat het er niet om of iets al of niet katholiek of protestant is. Het gaat erom of wij er iets van God in kunnen ontdekken. Of het ons aan-zegt, ons aanspreken kan. Of we er opgenomen, gesterkt, gesteund en getroost in kunnen worden. Of we de liefde van God erin vinden. En dus hoe we betekenis mogen vinden in wat ons wordt meegegeven.
1700 jaar geleden; dit jaar precies, heeft de kerk een beslissend document vastgesteld: de geloofsbelijdenis van Nicea. In de zomertijd ga ik mogelijk wat dieper op dit en gelijksoortige geschriften in, vandaag stellen we vast dat katholieken en protestanten beiden dit geschrift aanvaarden als basis van het geloof. Het is een soort uitleg over de triniteit (latijn), (bij protestanten beter bekend als) drie-eenheid. Een soort uitleg, maar is het een beschrijving van het diepste wezen van het goddelijke wezen? Of is het dat juist niet, omdat het goddelijke wezen zich in die diepte niet door mensen láát beschrijven. En is het eerder een manier van spreken, die de grens van het menselijk denken aangeeft. In dat laatste geval hoeven we niet elke punt en komma te begrijpen. Want belangrijker is het dat God ons kent dan dat wij Hem doorgronden.
In de protestantse traditie is het lang gebruikelijk geweest om de geloofsbelijdenis als antwoord op de preek te zingen. Vaak gebruikten wij de apostolische variant; eigenlijk een soort bewerking van dat Nicenum. Vandaag klinkt de Gregoriaanse tekst: in het Latijn, met deels een herkenbare melodie. Een tekst die al eeuwen stem geeft aan het christelijk vertrouwen in God; waarin ook wij opgenomen mogen zijn.
Amen
Deel deze preek
Exodus 34: 27-35
De HEER zei tegen Mozes: ‘Stel deze geboden op schrift, want op grond van deze geboden sluit Ik met jou en de Israëlieten een verbond.’ Veertig dagen en veertig nachten bleef Mozes daar bij de HEER, zonder te eten of te drinken. En de HEER schreef de tekst van het verbond, de tien geboden, op de platen.
Mozes daalde de Sinai af, met de twee platen van het verbond bij zich. Hij wist niet dat zijn gezicht glansde doordat hij met de HEER had gesproken. Toen Aäron en de andere Israëlieten de glans op Mozes’ gezicht zagen, durfden zij niet naar hem toe te gaan, maar Mozes riep hen bij zich. Aäron en de leiders van het volk kwamen bij hem en Mozes sprak met hen. Daarna kwamen ook de andere Israëlieten. Hij droeg hun op zich te houden aan alles wat de HEER hem op de Sinai gezegd had. Toen hij uitgesproken was, bedekte hij zijn gezicht met een sluierdoek. Steeds wanneer Mozes voor de HEER verscheen om met Hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij weer naar buiten kwam. Als Mozes de Israëlieten dan zei wat hem opgedragen was, zagen zij hoe zijn gezicht glansde. Daarna bedekte hij zijn gezicht met de doek, totdat hij opnieuw met de HEER ging spreken.